Ria van Nistelrooij - 19/04/2017

Onderzoek kinderen in armoede

Ondanks de aantrekkende economie en alle inspanningen blijft het aantal arme kinderen hoog. Het gaat om 12% van alle kinderen in Nederland.
In het advies Opgroeien zonder armoede stelt de SER dat armoede onder kinderen bestreden moet worden. Alle kinderen moeten een beroep kunnen doen op voorzieningen
die de gevolgen van armoede compenseren, zoals meedoen aan sport en cultuur. Dit beleid moet worden aangevuld met een meer structurele en systematische aanpak van de oorzaken van armoede. Opmerkelijk is dat 60 procent van deze kinderen werkende ouders heeft.

Over deze laatste groep, kinderen van werkende arme ouders zou ik het willen hebben. In mijn driejarig onderzoek ‘Speelruimte’ heb ik gekeken hoe de participatie van de kinderen zich ontwikkelt in veertien gezinnen met een laag besteedbaar inkomen. Het onderzoek werd gedaan van 2014 tot 2016.

Belangrijkste conclusie is dat er weliswaar soms wat meer speelruimte is in het budget, maar dat het slechts één gezin lukt in die drie jaar aan de armoede te ontsnappen. De anderen blijven zitten in het beperkte kader van een te krap inkomen en vaak schulden waardoor zij niet voldoende geld hebben om de bestedingen voor hun kinderen te kunnen doen en gebruik moeten maken van aanvullende steun. Dit leidt tot afhankelijkheid en materiële en sociale deprivatie.


Grote afstand tot de arbeidsmarkt

Van de ondervraagde ouders en ouderparen uit het onderzoek, hebben acht een uitkering vanuit de participatiewet en twee hebben een WAJONG-uitkering.
Belemmeringen zoals psychische of lichamelijke klachten, extra zorg voor kinderen, weinig opleiding of allochtoon zijn en een grote afstand tot de arbeidsmarkt,
maken dat deze ouders niet of moeilijk aan het werk kunnen komen.

Er worden hier en daar door de gemeente wel activeringstrajecten ingezet maar die sluiten niet goed aan bij de situatie waarin de ouders zitten. De trajecten houden te weinig rekening met hun eigen plannen, mogelijkheden en belemmeringen. Door niet gedekte kosten van bijvoorbeeld vervoer, kosten van een eigen bedrijf en kosten van kinderopvang, is de kans groot dat ouders ondanks werk in de armoede te blijven.

Vier ouders of ouderparen hebben inkomen uit werk. Hoe ziet dat eruit?

 

Met zijn vieren één gezinsinkomen

In het eerste gezin van niet-westerse afkomst, tweeoudergezin met drie oudere kinderen, heeft men na jaren sappelen, eindelijk een minimaal inkomen. Dit is het inkomen uit een eigen bedrijf. Twee jongens die nog op het MBO zitten, werken in het weekend mee in het bedrijf en de vrouw heeft een baantje als overblijfmoeder. Nu is er, na jaren van armoede en ziekte, door hoge eigen inspanningen, veel ambitie en vier meewerkende gezinsleden eindelijk een minimaal inkomen. Hiervan en met studiefinanciering kunnen de kosten van de participatie van de drie kinderen betaald worden.

 

Het wordt nooit méér

In het tweede gezin, ook van allochtone afkomst, met vier jonge kinderen die extra zorg nodig hebben, werkt de vader in WSW verband. Dit wordt aangevuld met een WIA uitkering vanwege de beperkingen van de man die kostwinner is. Na een minnelijk traject van de gemeente is het gezin uit de schulden. Hiermee houden zij nu een inkomen op bijstandsniveau over. De kinderen hebben extra kosten o.a. vanwege een dieet en hebben taal- en spraakstoornissen. Dit maakt dat de moeder er voor de kinderen moet zijn. Het gezin kan nu net rondkomen, maar zal altijd de eindjes aan elkaar moeten blijven knopen. Dank zij Stichting Leergeld kunnen de kinderen sporten.

 

Geen recht op ondersteuning

In het derde gezin heeft de alleenstaande ouder een klein poetsbaantje. Na haar scheiding werd het huis verkocht, waardoor ze een klein spaarpotje heeft. Ze heeft geen recht op bijstand omdat ze wat vermogen heeft. Toch moet ze eigenlijk gebruik maken van de voedselbank, maar daar heeft ze geen recht meer op vanwege het spaarpotje. Ze wil een eigen praktijk opstarten, maar doordat zij zo de eindjes aan elkaar moet knopen komt ze daar niet aan toe, qua tijd en energie. Ze kan gelukkig goed budgetteren en heeft een sociaal netwerk dat haar vooruit helpt. De kinderen kunnen daardoor wel naar hun sportclub en kunnen wel meedoen op school.

 

Kwetsbaar

Het vierde gezin is een tweeoudergezin met vier jonge kinderen. Man en vrouw hadden beiden werk. Door bezuinigingen in de zorg en werkloosheid en ziekte van de man hebben zij hun koophuis moeten verkopen en kwamen zij met een grote schuld te zitten. Na een zwaar WSNP traject zitten zij nog met een restschuld van 8000 euro. De man heeft gelukkig ander werk gevonden, maar blijft kwetsbaar omdat hij om voldoende inkomen te hebben 60 uur in de week moet werken met zijn beperking. Hoe lang houdt hij dit vol? Het gezin is schulden af aan het lossen en leeft op bijstandsniveau. Zeer minimaal. Ze kunnen niet meer gebruik maken van voorzieningen als de kinderen willen gaan sporten.

 

Participeren

Veel moeten werken, het wordt nooit meer, geen recht op ondersteuning en kwetsbaar.

Zie hier wat werkende armen kenmerkt. Omdat zij net boven of net onder de bijstandsgrens zitten of hun inkomen fluctueert, blijven zij financieel kwetsbaar. Het werk kost hen daarbij extra energie waardoor zij gemakkelijk terug kunnen vallen en b.v. in de ziektewet of WW kunnen komen. Verruim daarom de grens waaronder mensen aanvullende voorzieningen ontvangen en ondersteun hen tot het duurzaam beter gaat. Dit geldt ook voor Stichting Leergeld, Jeugdsportfonds en Jeugdcultuurfonds en de participatievoorziening van de gemeente. Heb oog voor de kwetsbaarheid van deze gezinnen. Ze participeren in de maatschappij, maar doen ze ook echt mee?

Stichting De Vonk © 2018 | Privacyverklaring

Geregistreerd als algemeen nut beogende instelling