Ria van Nistelrooij - 22/05/2018

Ik zit één keer in de maand bij de wachtrij van de voedselbank. Ik heb geen eten nodig, mijn keukenkastjes, koelkast en diepvries zijn voldoende gevuld. Ik ben er gewoon. Zonder lege tassen die gevuld moeten worden. Ik mag er toch zijn. Ik kom niet direct om te helpen, maar het mag wel natuurlijk, want er zijn onderdelen van armoede waar oplossingen voor bestaan en dan moet je mensen die niet onthouden.

Ik kom er voor hen, maar eigenlijk ook voor mezelf en dat is dan ook weer voor hen. Ik doe al jarenlang onderzoek naar armoede, geef lezingen en trainingen en voer armoede projecten uit. Dan is het belangrijk dat ik weet wat armoede is. Zodat ik mijn beeld weer bij kan stellen en aan vrijwilligers en professionals nog betere adviezen kan geven. Ik wil het ervaren, ik wil bij mensen zijn, hun verhalen horen en ben niet te beroerd te helpen als het nodig is. En ik wil leren.

Deze benadering heeft een naam en daarmee verschaft het je een zekere legitimiteit.  Het heet ‘present zijn’ . Andries Baart, de beschrijver van de presentietheorie, heeft er mooie woorden voor gevonden:  hij noemt het de ‘aandachtige betrekking’, het ‘ongehaast aanwezig zijn’. Of zoals wij het in onze training noemen:  ‘Er zijn voor de ander’. Zonder agenda. Zonder plan. In hun omgeving. Dat probeer ik. Ik heb alleen mezelf. En dat is best eng.

Ik ben er voor hen, voor de arme mens. Uiteindelijk ben ik er voor hen, maar eerst zal ik tot de essentiële kern van de ontmoeting moeten komen. Daar is geen recept voor. Daar kan niemand mij bij helpen. Daar heb ik geen hulpmiddelen voor. Of toch wel?

Ik ken de sociale kaart, het netwerk in mijn woonplaats, instanties en initiatieven die erop gericht zijn de armoede voor mensen te verzachten. Ik heb een redelijk zicht op de voorzieningen die er zijn in onze gemeente.  Dus ik neem een stapel sociale kaarten mee bij mijn bezoek aan de voedselbank en heb folders van allerlei instellingen binnen handbereik.

De eerste keer dacht ik: Ik ga de sociale kaarten uitdelen met een praatje erbij. De tweede keer was al anders. Ik nam een paar kaarten mee en zou ze pas ter sprake brengen als ik echt contact had. Ik had dus al wat geleerd.  Ik besef dat present zijn leren is in en van de praktijk , leren van je fouten. Er is geen plan van aanpak. Het is steeds opnieuw jezelf in het ongewisse storten.  Je onderdompelen. Ook daar heeft Baart een naam voor. ‘Exposure’ noemt hij het.

Het doel van dit mooie initiatief, is om te ervaren wat er leeft onder de klanten van de voedselbank in onze woonplaats. Doel is om te horen wat hen bezig houdt. Zijn er vragen of problemen waar wij als organisatie die aan armoedebestrijding doet, of andere organisaties misschien een antwoord op kunnen geven of een oplossing voor hebben?

Eén ding was me al duidelijk geworden. Dat leerde mij die Sociale kaart die ik zo nodig had als alibi, als visitekaartje en misschien ook wel als schild.

Wij zien arme mensen te vaak als mensen die voorzieningen nodig hebben, die daar constant naar op zoek zijn. Wij zien hen als mensen die wij moeten informeren en verwijzen. Maar die perceptie is fout. Wij denken dat de voorzieningen de schil vormen om hun bestaan, de oplossing voor al hun problemen, het antwoord op hun behoeften, maar dat is niet zo.

Je hoort het ook wel:  Als ze nu maar gebruik maken van onze voorzieningen, wordt de armoede wel opgelost. We doen er alles aan om hen te informeren. Hangen het prikbord vol met informatie, leggen stapels folders neer. Ja die mag u gratis meenemen. Wij denken dat ze thuis, wanneer ze hun boodschappen op de schappen en in de koelkast en vriezer hebben liggen, onze folders gaan lezen.

We richten spreekuren in, één keer in de week tussen die en die tijd. Daar krijgen ze gratis advies. We denken dat ze de hele week uitkijken naar dat moment. We zijn druk bezig met de voorwaarden van onze voorzieningen, de  lay-out van onze folders en het opleuken van onze nieuwsbrieven.

Wat dan wel?

Ik zou met u wel eens een discussie aan willen gaan of niet-gebruik van voorzieningen ook een recht is. Een fundamenteel recht van de arme mens. Lang geleden sprak ik eens een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering die bewust geen gebruik maakte van huursubsidie. Het was geen ontevreden mens.

De mensen die ik spreek op de voedselbank leven gewoon hun leven. Zij zijn aan het verhuizen, wachten op een spannende uitslag van het ziekenhuis, leven mee met een nichtje dat een baby verwacht. Ze praten bij op de voedselbank met hun vaste maatjes.  Ze hopen dat ze snel aan de beurt zijn om op tijd weer de hondjes uit te kunnen laten die alles voor hen zijn.  Het is geen makkelijk leven. Om half vier opstaan voor de krantenwijk. Je gebit niet kunnen onderhouden omdat er geen geld voor is. Maar het is hun leven.

Hun leefwereld lijkt veel meer op die van niet-arme mensen dan wij vermoeden, alleen hebben ze te weinig geld. Ze doen dezelfde dingen, genieten van de zon, gaan vissen, brengen hun kinderen naar school. Armoede is een deel van hun leven geworden. Het A-woord, waar je het niet over hebt, waar buitenstaanders toch niets van begrijpen.

Armoede los je niet op met een folder of een sociale kaart. Zelfs niet met een extraatje of een toeslag. Niet met gratis kaartjes voor de speeltuin of een gratis lidmaatschap.

Armoede schud je niet van je af. Uit de armoede komen is heel  langzaam weer het vertrouwen krijgen in de samenleving en in de mensen om je heen. Heel geleidelijk aan ervaren dat jij ook weer gewoon de dingen mag en kunt doen die voor velen zo vanzelfsprekend zijn en dat je dat waard bent!

In onze trainingen wijzen we toekomstige vrijwilligers op de belangrijke taak die zij hebben als intermediair. Dit kan zijn als wegwijzer, als verlengde arm, als coach, als strohalm, als rustpunt. Maar vooral door er gewoon te zijn ….. als mens.

Stichting De Vonk © 2018 | Privacyverklaring

Geregistreerd als algemeen nut beogende instelling